Activiteitenprogramma
In het activiteitenprogramma is gekozen voor een gecombineerde aanpak. Beweegactiviteiten worden gecombineerd met sociale vaardighedentraining en activiteiten die door de deelnemers zelf worden georganiseerd. Altijd staan empowerment en het vergroten van self-efficacy centraal.
In de eerst fase komen de deelnemers gedurende twaalf weken wekelijks bij elkaar. Tijdens de eerste bijeenkomsten komen vooral beweegactiviteiten aan bod. Hierdoor blijft het programma laagdrempelig. Vervolgens wordt het accent steeds meer verplaatst naar sociale vaardighedentraining en activiteiten die de deelnemers zelf organiseren. Wat betreft de sociale vaardighedentraining is gekozen voor de Goldsteinmethode. Bij deze methode spelen positieve bekrachtiging en succeservaringen een grote rol.
De eigen inbreng van de deelnemers speelt een belangrijke rol. De bedoeling is dat elke deelnemer minimaal één onderwerp of activiteit organiseert, hierbij ondersteund door de docent of een mentor. Dit kan gaan om het organiseren van een kennismakingsactiviteit (bijvoorbeeld een kennismakingsles MBvO of Tai Chi), het regelen van een voorlichting (door bijvoorbeeld een apotheker) of het houden van een korte presentatie over een zelf gekozen onderwerp (bijvoorbeeld tuinieren).
Naast de docent die de bijeenkomsten begeleidt is er een mentor aanwezig. Deze zorgt voor de randvoorwaarden zoals het bellen van deelnemers die niet aanwezig zijn, het verzorgen van koffie en het sturen van een kaartje naar een zieke deelnemer. Afhankelijk van de samenstelling van de groep, kan deze taak ook toegewezen worden aan één of meer deelnemers.
Na de 12 wekelijkse bijeenkomsten stromen deelnemers, indien mogelijk, door naar reeds bestaande activiteiten in groepsverband zoals bijvoorbeeld Meer Bewegen voor Ouderen of een hobbyclub. De deelnemers komen vervolgens in de tweede fase gedurende negen maanden nog één of twee keer per maand bijeen onder leiding van de docent om hen ondersteuning te blijven bieden en ervaringen uit te wisselen. Hierbij ligt de nadruk op het toepassen van de verworven vaardigheden in het dagelijks leven. De invulling van deze tweede fase is afhankelijk van de lokale situatie en de behoeften van de deelnemers.
